RASSTANDAARD VAN DE HOLLANDSE HERDER
(nr.223)
de officiële rasstandaard is opgesteld in de door de FCI gebruikte talen,
namelijk het Duits, Engels, Frans en Spaans
Rasbeschrijving
Algemene verschijning
Een middelgrote, middelzware, flink gespierde hond van krachtige, evenredige
bouw; met intelligente uitdrukking en levendig temperament.
Karaktereigenschappen
Aanhankelijk, gehoorzaam, volgzaam, waakzaam, paraat, zeer trouw en betrouwbaar,
weinig eisend met veel uithoudingsvermogen, steeds oplettend, aktief en begaafd
met de ware herdershondenaard.
Maten
De lichaamslengte is langer dan de schofthoogte, verhouding ongeveer als 10 tot
9.
De schofthoogte reuen van 57 tot 62 cm.
De schofthoogte teven van 55 tot 60 cm.
Variëteiten
Naar beharing onderscheidt men:
*korthaar
*langhaar
*ruwhaar
Gangen
Vlot, soepel, normaal; benen niet "gebonden" voorwaarts gebracht, doch
evenmin zwevend of uitgrijpend.
Beschrijving der lichaamsonderdelen
Hoofd
Afmeting in goede verhouding tot het lichaam; vorm eer gestrekt dan zwaar.
Zonder plooien en droog.
De voorsnuit iets langer dan het vlakke voorhoofdgedeelte.
De neusrug recht en evenwijdig met de schedel verlopend; weinig stop. Goed
aansluitende lippen.
Bij de ruwhaar variëteit lijkt het hoofd een meer vierkante vorm te hebben; dit
is schijn.
Oren
Eer klein dan groot. In aktie straf staand, naar voren gedragen, hoog aangezet.
Vorm: niet lepelvormig.
Ogen
Donker gekleurd, middelgroot, amandelvormig (geen knikkeroog), enigszins schuin
geplaatst.
Neus
Steeds zwart.
Gebit
Krachtig van ontwikkeling en regelmatig gevormd. Bij gesloten mond komen de
bovensnijtanden vòòr en tegen die van de onderkaak; het zogenaamde
schaargebit.
Hals
Verlangd wordt een niet te korte, droge hals, zonder plooien en geleidelijk
verlopend in de bovenlijn van de romp.
Romp
Stevig, ribben licht gewelfd. Borst diep, doch niet smal. Onderborst geleidelijk
overgaande in de buiklijn. Rug kort, recht en krachtig. Lendenen stevig, niet
lang of smal. Kruis mag niet kort of afvallend zijn.
Voorbenen
Krachtig, goed gespierd en geknookt. Over het geheel steeds een rechte lijn
vormend, doch met voldoende vering in middenvoetsgewricht. Schouders goed
aansluitend aan de borstkas. Ligging van het schouderblad schuin, met een
aansluitende bovenarm van goede lengte.
Achterbenen
Eveneens krachtig, goed gespierd en geknookt. Normale, matige hoek vormend in
het kniegewricht, waardoor ook het dijbeen niet overdreven schuin komt te lopen.
Ook in de spronggewrichten wordt matige hoekvorming gewenst, zodanig, dat de
hiel juist in de lo dlijn vanuit de zitbeensknobbel komt te vallen.
Geen hubertusklauwen.
Voeten
Goed gesloten; teenleden gebogen, waardoor lange voeten worden voorkomen. Zwarte
nagels en elastische, donkere voetzolen.
Staart
In rust recht of hangend met lichte buiging. Lengte tot het hielbeen. In aktie
sierlijk opwaarts gedragen, nimmer krullend of zijwaarts vallend.
Bijzonderheden voor de drie haarvariëteiten
Korthaar
Gewenst wordt een over het gehele lichaam vrij harde, niet te korte beharing met
wollig onderhaar. Kraag, broek en staartveer moeten duidelijk zichtbaar zijn.
Kleur: meer of minder duidelijk uitgesproken stroming op bruine ondergrond (goudgestroomd)
of op grijze ondergrond (zilvergestroomd). Stroming doorlopend over het gehele
lichaam, ook in kraag, broek en staartveer.
Veel zwart dekhaar is ongewenst. Bij voorkeur zwart masker.
Langhaar
Over het gehele lichaam lange, rechte, liggende, grof aanvoelende beharing
zonder krul of golving, met wollig onderhaar.
Hoofd, oren, voeten, evenals achterbenen beneden het spronggewricht kort en
dicht behaard. De achterzijde van de voorbenen vertoont sterk ontwikkelde, naar
onder in lengte afnemende beharing, de zogenaamde veer. Staart rondom
overvloedig behaard. Geen fra je aan de oren.
Kleur: hiervoor geldt hetzelfde als voor de korthaar.
Ruwhaar
Over het gehele lichaam wordt een dichte, harde, warrelige beharing gewenst met,
behalve aan het hoofd, wollig dicht onderhaar. De pels moet goed gesloten zijn.
Boven- en benedenlip flink behaard (zogenaamde snor en baard), niet zacht, goed
afstaand en ru ge, afstaande wenkbrauwen. Het haar op de schedel en aan wangen
en oren is minder sterk ontwikkeld. Staart rondom sterk behaard. Sterk
ontwikkelde broek is gewenst.
Kleur: blauwgrijs en peper- en zoutkleur, zilver- en goudgestroomd. De stroming
komt bij de ruwhaar (in tegenstelling tot de andere variëteiten) in het
bovenhaar minder duidelijk tot uitdrukking.
Fouten
Te veel wit aan borst of voeten, dan wel witte streep of vlek elders op het
lichaam.
Niet zwarte neus.
Slaphangend of lepelvormig oor.
Foutieve kleur of aftekening en te veel zwart dekhaar.
Over- en onderbijten.
Gecoupeerde oren of staart.
Krulstaart.